Bachelor

vraagtekenpoppetje 2De cursisten B1 zijn toe aan het hoofdstuk over het onderwijs in Nederland. De opdracht is: praat met z’n tweeën over wat je belangrijk vindt in het hoger onderwijs. Ik hoor dat de gesprekken al snel gaan over het onderwijs dat ze zelf hebben genoten. Als ze even niet op een woord kunnen komen, checken ze het snel in een of andere vertaal-app. Dat gaat nog sneller dan het mij even vragen. Ineens spits ik mijn oren: wat zegt de Portugees daar nou? Heeft hij zijn vrij-géezel gehaald? Wat bedoelt hij? Ineens gaat er een lampje branden: zijn bachelor.

Zo’n vertaal-app kan knap verwarrend zijn.

Gedonken

question-2309042_640Sterke werkwoorden bezorgen de NT2-leerder menig hoofdbreken. En niet alleen hem. Ik herinner me nog mijn zoontje van toen 3, die verontwaardigd riep: ‘Mama hij slaade mij!’ Ik lachte, keek hem aan, en vroeg: ‘slaade’? ‘Oh nee!’, riep hij bijna verschrikt, en zijn hersenen gingen bijna zichtbaar koortsachtig aan het werk. Hij begreep het al: we hadden hier te maken met een sterk werkwoord en dat vereiste een radicale omslag in de klank. Dus hij verbeterde zich snel: ‘slieg!’ Bijna goed. Ik moet daaraan denken als een van de cursisten van vanavond een dergelijke vondst doet. Het systeem kent voor hem bijna geen geheimen meer en hij heeft er duidelijk goed over nagedonken.

In verband met wat?

vraagtekenpoppetje 10De cursisten in de B1-groep hebben er vandaag niet heel veel zin in. De zon schijnt uitbundig en dat doet hij niet zo vaak in Nederland, weten ze inmiddels. De sfeer is wat lacherig dus ik zal ze vanavond niet met ingewikkelde grammatica lastigvallen en ze maar zo veel mogelijk met elkaar laten praten. In het Nederlands uiteraard. Ik kies een oefening waarbij ze elkaar vragen moeten stellen. De antwoorden moeten steeds het woord bevatten dat achter de vraag staat. Een van de vragen is: Waarom moet jij vandaag naar de politie? In het antwoord moet ‘ondervragen’ worden gebruikt en een cursist uit Oekraïne komt er maar moeilijk uit. Dat verbaast me een beetje. Ben ik wel een goede docent, vraag ik me af. Het zou er zo langzamerhand wel wat vlotter uit mogen komen. Maar het antwoord waar hij mee komt kan ermee door: “omdat de politie me ondervragen wil.” De Pool naast hem reageert onmiddellijk, kijkt zijn buurman met opgetrokken wenkbrauw aan en vraagt op barse toon: “In verband met wat?!” waarna ze beiden in de lach schieten. Ik doe met ze mee; zulk feilloos Nederlands horen we niet vaak in deze les.

Moeilijke vragen

 

witte poppetjes 2Met een grote glimlach maar ook met opgetrokken wenkbrauwen kijkt de Portugees me aan. Verwachtingsvol. Hij wil best geloven dat het goed is hoor, wat ik daar zeg, maar waarom? Waarom zeg je bij de fietsenmaker: ‘Het zijn oude banden’? Er zijn toch twee banden? Ik begrijp de vraag eerst niet. Tot ik me realiseer wat hij bedoelt. Het woordje ‘het’ is niet op zijn plaats, vindt hij. Want ‘het’ is enkelvoud en banden zijn meervoud, dus dat is gek. In het Engels zeg je toch ook niet: it are old tires? Nee, dat klopt. Ik bevind me weer in de groep met internationale computerdeskundigen en meer dan wie ook willen zij weten wat de logica is. En weer weet ik het niet. Waarom mag dat eigenlijk? Ja, best gek nu je het zegt. Maar ja, het mag toch. Waarom? Ik zeg maar weer wat ik al zo vaak gezegd heb in deze groep: omdat Nederlands nu eenmaal geen vertaald Engels is. Sorry.

Waarom geen ‘hij wilt’?

question-mark-1019820_640 (1)Hij is mijn beste cursist in deze groep en hij komt uit Moldavië. Vastbesloten het Nederlands zo snel mogelijk onder de knie te krijgen, dus hij kent de regels al voordat ik ze überhaupt heb uitgelegd. Hij wilt, heeft hij in zijn huiswerkopdracht geschreven, en ik heb een streep door de -t gehaald. Verbaasd meldt hij zich bij me. Hoe zit dit? Is de regel bij zwakke werkwoorden niet dat je in de 3e persoon enkelvoud een -t achter de stam zet? Juichen – hij juicht, waaien – het waait. Waarom streep ik die -t achter wilt nu dan door? Hij roept me nog net niet streng ter verantwoording, maar het scheelt weinig. Alweer een uitzondering op alweer een regel, lach ik verontschuldigend. Maar hij vertrouwt het maar half en kijkt me onderzoekend aan: ken ik mijn eigen taal eigenlijk wel goed genoeg? Ik kom het steeds vaker tegen, en niet alleen bij buitenlanders. Ook Nederlandse studenten tonen zich in toenemende mate verbaasd als ik ze erop wijs dat hij wilt echt fout is. Huh? En natuurlijk kan ik dan verwijzen naar de historie. Lange tijd bestond er geen tegenwoordige tijd van het werkwoord willen. De enige vorm die er was, was hij wille. En dat betekende: hij zou willen, hij wenst. Later is Hij wil pas ontstaan. Een restje van hij wille. Maar waarom is dat in 2015 nog altijd reden om de -t weg te laten? Steeds meer jongeren gaan er niet meer in mee. En zoals dat gaat met taal: op een dag is Hij wilt goed. Maar dat kan nog wel 100 jaar duren. Voorlopig moet mijn Moldavische cursist onze inconsequentie nog maar even accepteren.

Redenen

vraagtekenpoppetje 14Vanavond leg ik het meervoud uit. In het Nederlands maak je van een zelfstandig naamwoord meervoud door er -en  of -s achter te plaatsen. Boek, boeken. Tafel, tafels. Verwachtingsvol kijken cursisten me aan: vertel even wanneer het één en wanneer het ander, dan is dat maar helder. Ik zet op het bord wat in de docenteninstructie van mijn methode staat. Daarin staat onder andere dat woorden op -en een -s krijgen. Dus jongen-jongens. Logisch. Je kunt moeilijk jongenen zeggen, lach ik. Het zou zijn alsof ik stotterde. Vriendelijk kijkt een jongen uit Polen me aan: dus het meervoud van reden is redens?  Uuhh, nee. Dat is redenen. En teken is tekens? Ja, stotter ik nu toch, maar tekenen is ook goed. Waarom is dat zo, vraagt hij. Tja. De eeuwige vraag naar het waarom. Ik weet het niet. Alweer niet. Een regel zou in het Nederlands geen regel zijn, als er geen uitzonderingen op waren, lach ik maar weer. De Poolse jongen trekt een wenkbrauw op.

Een mol

vraagtekenpoppetje 4Het is druk vanavond en vanuit het zaaltje waar we zitten klinkt het geluid van een geanimeerde personeelsborrel. Iedereen is met iedereen in gesprek. Want de opdracht die ik net gegeven heb is: bekijk de foto’s in het boek en vertel elkaar wat je ziet. Hoe beschrijf je de landschappen die je daar ziet? Ik loop rond, om vragen te beantwoorden en zo nodig in te grijpen als het ergens fout gaat. “Ik zie een mol”, zegt een Russische man met baard serieus tegen zijn Iraanse buurvrouw. Ze knikt. Het dringt langzaam tot me door. Zien ze een mol? Dat kan ik me niet voorstellen. Ik heb die foto’s toch goed bekeken. Maar ja, de Rus is inmiddels al bij de duinen, dus ik laat het gaan en loop door. “Achter het veld zie je een mol”, hoor ik nu ook een vrouw uit Wit-Rusland vertellen aan haar buurman uit Oekraïne. Hè? Alweer eentje? En ineens gaat mij een lichtje op, zoals dat heet. Een mol, twee molen. Logisch.