Redenen

vraagtekenpoppetje 14Vanavond leg ik het meervoud uit. In het Nederlands maak je van een zelfstandig naamwoord meervoud door er -en  of -s achter te plaatsen. Boek, boeken. Tafel, tafels. Verwachtingsvol kijken cursisten me aan: vertel even wanneer het één en wanneer het ander, dan is dat maar helder. Ik zet op het bord wat in de docenteninstructie van mijn methode staat. Daarin staat onder andere dat woorden op -en een -s krijgen. Dus jongen-jongens. Logisch. Je kunt moeilijk jongenen zeggen, lach ik. Het zou zijn alsof ik stotterde. Vriendelijk kijkt een jongen uit Polen me aan: dus het meervoud van reden is redens?  Uuhh, nee. Dat is redenen. En teken is tekens? Ja, stotter ik nu toch, maar tekenen is ook goed. Waarom is dat zo, vraagt hij. Tja. De eeuwige vraag naar het waarom. Ik weet het niet. Alweer niet. Een regel zou in het Nederlands geen regel zijn, als er geen uitzonderingen op waren, lach ik maar weer. De Poolse jongen trekt een wenkbrauw op.

Een mol

vraagtekenpoppetje 4Het is druk vanavond en vanuit het zaaltje waar we zitten klinkt het geluid van een geanimeerde personeelsborrel. Iedereen is met iedereen in gesprek. Want de opdracht die ik net gegeven heb is: bekijk de foto’s in het boek en vertel elkaar wat je ziet. Hoe beschrijf je de landschappen die je daar ziet? Ik loop rond, om vragen te beantwoorden en zo nodig in te grijpen als het ergens fout gaat. “Ik zie een mol”, zegt een Russische man met baard serieus tegen zijn Iraanse buurvrouw. Ze knikt. Het dringt langzaam tot me door. Zien ze een mol? Dat kan ik me niet voorstellen. Ik heb die foto’s toch goed bekeken. Maar ja, de Rus is inmiddels al bij de duinen, dus ik laat het gaan en loop door. “Achter het veld zie je een mol”, hoor ik nu ook een vrouw uit Wit-Rusland vertellen aan haar buurman uit Oekraïne. Hè? Alweer eentje? En ineens gaat mij een lichtje op, zoals dat heet. Een mol, twee molen. Logisch.