Liegen

vraagtekenpoppetje 7Wat is a lie in het Nederlands, vraagt de man uit Macedonië die de finesses van onze taal graag zo snel mogelijk doorgrondt. Een leugen, antwoord ik en ik schrijf het woord op het bord ter verduidelijking. Aha. ‘Het werkwoord is liegen’, zeg ik er bij wijze van extra service nog even bij en ook dat woord schrijf ik op het bord. Hij trekt een wenkbrauw op: ‘Dat is toch to lie down?’ Nee, dat is liggen en ook dat schrijf ik op het bord. Mijn geduld is eindeloos. Maar nu blijft een Aha uit. Wil ik het nog eens zeggen? Ik herhaal: liggen en liegen. ‘Het is nogal een verschil in betekenis!’, lach ik.  Vertwijfeld kijkt hij naar mijn mond. Wil ik het nog eens herhalen? Natuurlijk. Liggen – Liegen. Hij zucht: ‘I have a big problem! I hear absolutely no difference!’ De context zal het meestal wel duidelijk maken, stel ik hem gerust. Daaruit zal de luisteraar echt wel kunnen opmaken of je to lie or to lie bedoelt. En ik schiet in de lach: in het Engels is het nog lastiger.

Kringloopwinkel

kring van poppetjesWe gaan in de B1-groep samen een tekst hardop lezen uit het boek maar voordat we beginnen, licht ik een paar termen toe. Het gaat over Koningsdag en de Nederlandse gewoonte om alle oude troep van zolder te halen en op straat voor een habbekrats te verkopen. Wat niet verkocht wordt, gaat naar de kringloopwinkel of naar Marktplaats. ‘Kennen jullie die, de kringloopwinkel?’ vraag ik vriendelijk. Een Griek knikt met een glimlach, ja die kent hij wel, die is er in zijn dorp ook. ‘Het is eigenlijk een recycle-winkel, dat is waar het woord kringloop op duidt’, zeg ik nog. Ik zie lichte verwarring op het gezicht van de Griek. ‘Kringloop komt van reclycling’, zeg ik nog een keer en ik maak met mijn vinger ten overvloede nog een cirkelgebaar. In verbazing trekt hij een wenkbrauw op: “Oh, ik dacht het is een winkel waar je rond moet lopen!”

Hij komt niet

 

vraagtekenpoppetje 12Halverwege de B2-cursus schuift hij aan, op aanraden van zijn leidinggevende. Zelf vindt hij het duidelijk nergens voor nodig dat hij hier zit. Zijn Nederlands komt dichtbij perfect en je ziet de andere cursisten denken: wat doet hij hier? Stel ik hem een vraag, dan gaat hij echt even zitten voor het antwoord en steekt van wal. Hij is veel aan het woord en ik hoor kleine fouten maar die mogen amper naam hebben. Er staat tegenover dat hij oer-Hollandse woordspelingen en grapjes gebruikt. Na de les blijft hij even zitten: wat vind ik, moet hij deze lessen echt volgen? Het zou wel nuttig zijn, zeg ik vriendelijk. Want je maakt maar weinig fouten maar ik hoor nog wel fouten en ik kan ook goed horen dat je een buitenlander bent. Hij trekt een wenkbrauw op. Oh? Dat valt hem duidelijk tegen. Maar de volgende les is hij weer van de partij en doet hij gezellig mee. Hij geniet er duidelijk van de beste van de klas te zijn. Op een dag krijg ik vlak voor de les een mailtje van hem: “Ik kan het niet maken om de volgende les te komen.” Er is toch nog wat werk aan de winkel.